Beladen Erfgoed

Europees Jaar van het Cultureel Erfgoed 2018Erfgoed roept soms heftige emoties op en kan beladen zijn omdat het nauw verbonden is met (nationale) identiteit. Een identiteit die constant wordt geherdefinieerd. We stellen ons daarbij steeds nieuwe vragen.

Wat zijn de geschiedenissen en verhalen die ons verbinden of die ons scheiden? Is mijn geschiedenis ook jouw geschiedenis of is ons perspectief erop een andere? Is mijn trots verbonden met jouw pijn en daarom wellicht misplaatst, zou trots plaats moeten maken voor schaamte? Is wat van mij lijkt wel van mij of komt het jou meer toe, hoeveel van mijn erfgoed is toegeëigend ten koste van anderen?

Is onze geschiedenis er een van daadkracht, expansiedrift, ontdekkingsdrang, handelsgeest en verzet tegen dictaturen of van toe-eigening, diefstal, roof, moord, georganiseerde misdaad en collaboratie? Wie zouden we moeten eren: de moordenaars die voor een muskaat monopolie een volkerenmoord pleegden of de leiders van de slavenopstanden die hun ketenen afwierpen?

Wij zien ons zelf graag als een vooruitstrevende en tolerante natie. Maar als we toestaan dat de héle geschiedenis wordt verteld dan horen we naast de verhalen van handelsgeest en ontdekkingsdrang óok de verhalen van het tot koopwaar maken van mensen op grond van huidskleur, het in instituties organiseren en legaliseren van misdadige praktijken ten behoeve van persoonlijk gewin, naast de verhalen van verzet ook die van collaboratie en (stille) instemming.

Nederlandse musea hebben objecten verzameld die getuigen zijn van die geschiedenissen. In depot vertellen die objecten die verhalen niet (of misschien is het feit dat die objecten in depot blijven een verhaal op zich). Collectie Nederland biedt de mogelijkheid de depots in te gaan en die objecten een podium te geven.


De diamant van Banjarmasin, anoniem, ca. 1875 diamant, g 7,65gr × l 2,1cm × b 1,7cm × h 1,4cm  Collectie Rijksmuseum.

Deze diamant is oorlogsbuit. Ooit was hij eigendom van Panembahan Adam, de sultan van Banjarmasin (Kalimantan). De steen behoorde tot de rijkssieraden, symbolen van de sultans soevereiniteit. Na diens dood mengde Nederland zich in de opvolgingsstrijd. In 1859 veroverden Nederlandse troepen met geweld Banjarmasin, en hieven eenzijdig het sultanaat op. De ruwe diamant werd naar Nederland gestuurd waar hij werd geslepen tot een rechthoek van 36 karaat.

De diamant van Banjarmasin, anoniem, ca. 1875 diamant, g 7,65gr × l 2,1cm × b 1,7cm × h 1,4cm

Ferdinand Leenhoff, Jan Pietersz. Coen (Hoorn 1587 - Batavia, 1629), 1893, Roode Steen, Hoorn, Noord-Holland.

Jan Pietersz. Coen was de vierde gouverneur-generaal van Oost-Indië en veroverde in 1619 Batavia. Als Gouverneur-Generaal liet Coen zich als een harde, soms meedogenloze man kennen. Met een expeditieleger van 2000 soldaten overrompelde hij in 1621 de Banda-eilanden, waar de bevolking in strijd met een afgedwongen verdragsafspraak nootmuskaat bleef verkopen aan Portugezen en Engelsen. Nagenoeg alle Bandanezen werden bij die actie op soms gruwelijke wijze vermoord. Van de ongeveer 15.000 bewoners overleefden er een paar honderd, die werden afgevoerd naar Batavia. Het leverde hem de bijnaam "Slachter van Banda" op. Vanwege dat optreden van Coen is in de eenentwintigste eeuw de roep om verwijdering van het beeld steeds luider geworden. Om deze reden werd door de gemeente Hoorn in 2012 een nieuw tekstbord op de sokkel van het beeld geplaatst. De nieuwe tekst eert Coen vanwege de inbezitname van Nederlands Oost-Indië, maar vertelt ook over de wandaden op de Banda-eilanden.

De Coentunnel in Amsterdam is ook vernoemd naar Jan Pietersz. Coen.

Ferdinand Leenhoff,  Jan Pietersz. Coen (Hoorn 1587 - Batavia, 1629), 1893,  Roode Steen, Hoorn ,Noord-Holland

J.G. (John Gabriel) Stedman (Vervaardiging) Tardieu l'ainé (Graveur), Een door de zweep geslagen slavin, Gravure, 1798, Collectie Nationaal Museum van Wereldculturen 

John Gabriël Stedman (Dendermonde, 1744 – Devonshire, 5 maart 1797) was een Schots-Nederlandse officier in de Schotse Brigade van het Nederlandse leger. Hij hielp bij het onderdrukken van een slavenopstand in Suriname. Stedman meldde zich op 29 oktober 1772 als vrijwilliger voor een expeditie die de opstand van tot slaafgemaakten moest onderdrukken. Zijn motieven waren deels van financiële aard.

Tijdens zijn verblijf in Suriname hield Stedman een dagboek bij later bewerkt en gepubliceerd als "Reize naar Surinamen en door de binnenste gedeelten van Guiana". Het beschrijft dagelijkse gebeurtenissen en geeft een goed beeld van Suriname, de kolonisten en de slavernij. Stedman bekommerde zich openlijk om de rechten van de tot slaafgemaakten.

 

Een door de zweep geslagen slavin Vervaardiger   J.G. (John Gabriel) Stedman (Vervaardiging)  Vervaardigingsdatum   1798  Onderwerp   Europees   Surinaams  Identificatie   TM-3728-544b-19  Soort object   Gravure  Dataprovider   Nationaal Museum van Wereldculturen

speldje, draagspeld voor het lidmaatschap van de Nationale Jeugd Storm, afgekort N.J.S. de jeugdbeweging van de N.S.B., speldje, Collectie Nationaal Bevrijdingsmuseum 1944-1945 

De Nationale Jeugdstorm (NJS) was een Nederlandse jongerenbeweging die van 1934 tot 1945 bestaan heeft, georganiseerd naar voorbeeld van de Duitse Hitlerjugend en als nationaalsocialistische tegenhanger van de padvinderij.

De organisatie stond formeel los van, maar had in de praktijk zeer nauwe banden met de NSB. De leider ('hoofdstormer') was de vooraanstaande NSB'er Cornelis van Geelkerken. 

Bijna alle leden van de Jeugdstorm waren kinderen van NSB'ers. Tijdens de oorlog had de Jeugdstorm ongeveer 16.000 leden. 


speldje lidmaatschap NSB, 5 jaar lidmaatschap voor 1940, speldje, Collectie Nationaal Bevrijdingsmuseum 1944-1945 

De Nationaal-Socialistische Beweging in Nederland (afgekort 'NSB') was een nationaalsocialistische partij, fungeerde ten tijde van de Tweede Wereldoorlog als collaboratiepartij en werkte openlijk samen met de Duitse bezetters. In die periode had de partij zo'n 100.000 leden. De feitelijke rol van de NSB tijdens de bezetting was die van hulptroep van de Duitsers. Vele NSB'ers aanvaardden gretig lagere en middelhoge bestuursfuncties (burgemeester, commissaris, secretaris-generaal, enz.). Duizenden van hen namen dienst bij de Waffen-SS, vooral aan het oostfront. Vanaf de zomer van 1943 waren veel mannelijke leden georganiseerd in de Landwacht, een paramilitaire zelfverdedigingsorganisatie, die de bezetters hielp de bevolking te 'beheersen', wat zich uitte in terreuracties tegen burgers.

Van de zogenaamde Colonne Henneicke, een groep 'Jodenjagers' in Amsterdam die zich bezighield met het opsporen van Joden, was meer dan 80 procent lid van de NSB. Hoewel de NSB als organisatie niet heel nadrukkelijk werd ingezet door de Duitsers bij het uitvoeren van het deportatiebeleid, bevonden zich onder de leden van de NSB fanatieke antisemieten die zich bereid toonden hand- en spandiensten te verrichten bij het oppakken van ondergedoken Joden.

 

speldje lidmaatschap NSB, 5 jaar lidmaatschap voor 1940, speldje, Nationaal Bevrijdingsmuseum 1944-1945

Tjipke (T.T.) Visser (1876-1955), Zinnebeeld voor vrijheid en vrede, 1941, brons, 65 cm, inv.nr. K714, Collectie Rijksdienst voor het Cultureel Erfgoed

Dit bronzen beeldje stond in 1943 op het omslag van de catalogus van de eerste tentoonstelling die het Departement van Volksvoorlichting en Kunsten van zijn aankopen ‘hedendaagsche kunst’ had georganiseerd. Ook werd het getoond op de tentoonstelling het jaar daarop. De maker was de in Workum geboren beeldhouwer Tjipke Visser. 

Hoewel Visser in de jaren dertig de ‘huisbeeldhouwer’ van de SDAP was, sloot hij zich in de oorlog aan bij de Kultuurkamer en kreeg goedbetaalde opdrachten van de bezetter, zoals voor het raadhuis in Grouw en de NH-kerk van zijn geboorteplaats. ​

 
Tjipke (T.T.) Visser (1876-1955), Zinnebeeld voor vrijheid en vrede, 1941, brons, 65 cm, inv.nr. K714